Shu Ha Ri

 

Shu Ha Ri is een klassiek principe dat op uitmuntende wijze het proces schetst van leren, van het zich eigen maken van een kunst of vaardigheid. Het wordt toegeschreven aan de zeventiende eeuwse samurai Sekiun Harigaya Usai. Oorspronkelijk had het betrekking op de vaardigheden van de samurai, maar tegenwoordig wordt het als van toepassing gezien op alle traditionele Japanse kunsten.
Shu Ha Ri schetst geen lineaire vooruitgang, maar neigt meer naar een spiraalvormige trapsgewijze groei. Hierdoor komt de leerling in zijn ontwikkeling telkens weer Shu Ha Ri tegen, maar telkens op een ander niveau.

Shu
Het karakter Shu kan ook uitgesproken worden als "omamori". Een omamori is een amulet zoals dat door een Shintopriester gemaakt wordt en die de drager of de ruimte waarin de omamori geplaatst is een jaar lang beschermd tegen kwalen en ongeluk. In Japan ziet men in auto's vaak zo'n omamori op het dashboard of aan het spiegeltje voor de voorruit bungelen. In huis vindt men een omamori bij de huisschrijn en ook in veel dojo bevindt zich een omamori bij de schrijn. Omamori betekent dan ook letterlijk beschermer. Shu betekent zowel beschermen als gehoorzamen. Precies zoals een kind beschermd wordt door ouders maar ook de ouders gehoorzaamd. Ongehoorzame kinderen kunnen niet beschermd worden. Shu staat voor het eerste stadium van Budo-beoefening. De dojo is een beschermde plek waar de budoka zich zonder risico's van buitenaf zich kan bekwamen in een krijgskunst. De dojo is zo ingericht dat het direct een gevoel van veiligheid en een zekere sereniteit oproept. Zelfs zonder enige training krijgt een bezoeker al een gevoel van stabiliteit en zekerheid bij het betreden van de dojo. De leraar versterkt dit gevoel van stabiliteit en zekerheid door zijn ervaring en kennis. Ook de ouderejaars budoka spelen hierbij een belangrijke rol. Van hen krijgen beginners vaak de eerste aanwijzingen en uitleg over bijvoorbeeld de etiquette die bij de dojo hoort. De uitingen van etiquette (reigi) zijn daarbij geen lege vormelijkheden maar zijn vormen van hoffelijkheid en respect die gericht zijn op het behoud van het beschermende karakter van de dojo. Het is door deze beschermende atmosfeer dat de leerling vorderingen kan maken in de kunst. Daarbij is het belangrijk dat de leerling open staat voor de aanwijzingen van de leraar en dat de leerling de leraar vertrouwt en gehoorzaamt. In het "shu" stadium ziet de leerling af van een eigen interpretatie maar tracht de leraar tot in de kleinste details na te volgen (leren door te imiteren, door na te doen of om een westers kunstfilosofisch begrip te gebruiken; door mimesis). Het komt voor dat de leerling oefeningen staat te doen of taken krijgt om te doen die geen klaarblijkelijke relatie hebben met de krijgskunst die hij wil leren. Het "shu" stadium herinnert aan de wijze waarop ook in het westen vroeger de ambachtslieden iemand in de leer namen. De leerling was de eerste tijd voornamelijk bezig met het schoonmaken van de werkruimte. En de eerste lessen bestonden uit simpele dingen die niets met de echte kunst of ambacht leken uit te staan. Ongemerkt legt de leerling in dit "shu" stadium het fundament om tot de kern van de kunst te komen. Shu duidt ook op het beschermen van het materiaal, van het curriculum aan technieken. In het shu stadium is het niet de bedoeling dat de leerling dingen toevoegt aan de oefeningen die hij leert en evenmin dat hij dingen weglaat ("dit werkt niet", "deze vind ik niet leuk", "deze techniek is voor mij te zacht/ te hard"). Het gaat er juist om dat de leerling het curriculum aan technieken ongeschonden laat en ze deze in de oorspronkelijke vorm eigen maakt.

Ha
Frustreren, verbreken.
Onvermijdelijk breekt er voor elke budoka die vordert op de weg een periode aan van frustratie. Het gevoel te hebben dat niets meer lukt, dat alles al zo vaak gedaan is en dat alles maar hetzelfde blijft. De budoka voelt zich onhandig, het gevoel van zekerheid dat aanvankelijk alleen maar leek te groeien en te groeien lijkt verdwenen. Daarvoor in de plaats komt een gevoel van opstandigheid, van kritiek van frustratie. De vergelijking dringt zich op met de puberteit. De jongere heeft de ouders in veel vitale opzichten nog heel erg nodig en is tegelijkertijd in zoveel andere opzichten al zo zelfstandig. Het is een periode van frustratie voor zowel de leraar als de leerling. Want ofschoon de leerling nog lang niet volleerd is en baat zou hebben bij de, wellicht laatste, aanwijzingen van de leraar, het kost hem moeite om te gehoorzamen. De aanwijzingen lijken hem tegenstrijdig of het eerder geleerde tegen te spreken. De leerling twijfelt aan de leraar. De leerling twijfelt aan zichzelf. Toch is dit niet zondermeer een negatief stadium. "Ha" is ook het stadium dat de leerling technieken zich eigen begint te maken en niet uitsluitend leert van de leraar, maar ook door eigen ervaring. De leraar moedigt hem aan ook elders ervaringen op te doen. Hierdoor ontmoet de leerling andere beoefenaars die mogelijk een andere benadering van de kunst hebben. Ook dit kan frustrerend zijn, maar zijn kennis en ervaring neemt toe en daarmee zijn zelfvertrouwen. Hij wordt zich ook bewuster van de wijze waarop hij beginners helpt met de eerste stappen op de weg.

Ri
Vrijbreken, loslaten, weggaan.
Het stadium "Ri" wordt wel vergeleken met de verhouding tussen ouder en een volwassen zoon of dochter. De budoka heeft zich de kunst eigen gemaakt. Aan zijn manier van bewegen is vaak genoeg nog wel te zien wie zijn leraar was, maar de bewegingen zijn niet langer aangeleerd. Ze komen uit zichzelf van zichzelf. De mist van de twijfel is misschien niet voorgoed weggetrokken maar als deze opkomt dan is het niet langer bedreigend of verwarrend. Het zijn momenten geworden waar de budoka van leert en die vaak voorafgaan aan hernieuwde inzichten en aan groei. De lessen van zijn leraar zijn hem nog onverminderd van nut in de beoefening van de kunst, maar zijn leraar hoeft hem niet langer de techniek voor te doen om te kunnen oefenen. Respect en genegenheid voor de leraar is groter dan ooit, maar zijn voortdurende aanwezigheid is niet langer een absolute voorwaarde om zinvol te kunnen oefenen. De leerling is volwassen geworden, zoekt zijn eigen weg en de leraar laat los.

Tom Verhoeven.

 
 
 

E-MAIL ONS